Cedar Gallery


Cedar info  |   Nieuws   |  Educatie  |   Links   |  Vriend/Donateur   |  Contact | Engels

 

 

Kunstenaars

Architectuur

Boeken

Design

Films

Fotografie

Letters

Schilderijen

Bomen

Religie

Thema's

China

Japan

Rusland

 

 

                                                                                                                                                                      

                                                                                                                                                                               



Russische verhalen
 

Peter en de wolf

Peter en de wolf is een muzikaal sprookje van Sergej Prokofjev voor spreekstem en orkest. Het stuk ging in 1936 in Moskou in premire en is wereldwijd zeer succesvol geworden. Prokofjev schreef het stuk in opdracht van een jeugdtheater in Moskou. De muziek moest simpel en verstaanbaar zijn, en dus aantrekkelijk voor kinderen, maar ook voor communistische idealisten

Er was eens een jongetje dat Peter heette. Op een vroege morgen opende hij het tuinhek en liep de grote, groene wei in. Op de tak van een hoge boom zat Peters beste vriendje, een vogeltje, en het tsjilpte: "Het is hier heerlijk rustig." En dat was het.
Maar daar kwam ook een dikke eend aangewaggeld. Ze was blij dat Peter het hek had opengelaten, want ze had zin in een duik in de vijver.
Toen het vogeltje de eend zag, vloog het naar beneden en ging naast haar in het gras zitten.
"Wat ben jij nou voor vogel dat je niet kunt vliegen?" vroeg het vogeltje.
"Kwaak!" riep de eend. "En wat ben jij voor vogel dat je niet kunt zwemmen?" En ze plonsde de vijver in.
Ze kibbelden en kibbelden en hielden niet op; de eend in de vijver en het vogeltje fladderend langs de waterkant.
Opeens zag Peter een kat, die langzaam kwam aansluipen door het gras. De kat dacht: Als het vogeltje zo aan het kibbelen is, kan ik 't makkelijk vangen en opeten! En op zijn zachte pootjes sloop hij eropaf. Maar Peter riep: "Kijk uit!" En gelukkig vloog het vogeltje op tijd de boom in.
Vanuit het midden van de vijver kwaakte de eend brutaal naar de kat. Daar was ze veilig. De kat keek nog eens naar het vogeltje in de boom en dacht: Is het wel de moeite waard om naar boven te klimmen? Als ik bij het vogeltje ben, dan is het al gevlogen. Miauw!
Toen kwam opa naar buiten. Hij was heel boos, omdat Peter zomaar was weggelopen. "Stel je nou eens voor dat er een grote boze wolf was gekomen, wat had je dan gedaan?"
Peter luisterde niet eens naar zijn opa, want hij was helemaal niet bang voor wolven. Maar opa dacht er anders over. Hij nam Peter mee naar huis en deed het hek heel goed op slot.
Maar... het hek was nog niet dicht of uit de bosjes kwam iets aangeslopen. Het was een grote, enge dikke, boze wolf...
In een flits zat de kat in de boom. De eend in de vijver kwaakte en kwaakte, en van de opwinding kwaakte zij zichzelf uit de vijver. De wolf kwam steeds dichterbij, en wat de eend ook probeerde, ze kon niet aan hem ontsnappen. In n hap slokte de wolf de eend naar binnen.
Het vogeltje zat ook nog steeds in de boom - niet te dicht bij de kat, natuurlijk - en onder de boom sloop de wolf heen en weer. Met grote, hongerige ogen gluurde hij naar de kat en het vogeltje.
Intussen stond Peter achter het hek en bekeek de wolf eens goed, want bang was hij nog steeds niet.
Toen ging Peter naar de schuur, haalde daar een stuk touw en klom op de tuinmuur. Over die muur hing een tak van de grote boom. Peter pakte de tak beet en klom de boom in.
"Vogeltje, ga jij eens naar de wolf," zei hij, "en probeer hem af te leiden. Maar zorg er wel voor dat hij je niet te pakken krijgt!"
En dat deed het dappere vogeltje. De wolf hapte woedend naar hem en - oei! - hij kreeg bijna een vleugeltje te pakken. Woest werd de wolf, omdat het vogeltje veel slimmer was dan hijzelf.
Intussen maakte Peter een lus in het touw en liet die langzaam uit de boom naar beneden zakken. Hij zorgde ervoor dat de staart van de wolf in de lus kwam en toen trok hij hard aan het touw. De wolf schrok en probeerde zich los te trekken. Hij rende woedend heen en weer, maar Peter had de andere kant van het touw vastgebonden aan de boom. Hoe harder de wolf tekeerging, des te strakker werd de lus vast getrokken. De wolf was gevangen!
Op dat moment kwam er een groepje jagers uit het bos. Ze waren het wolvenspoor gevolgd en dachten net: We schieten hem neer! "Niet doen! Niet schieten!" riep Peter, toen hij hen zag. "Het vogeltje en ik hebben de wolf gevangen. Jullie moeten ons helpen om hem naar de dierentuin te brengen."
En daar gingen ze dan, in een vrolijke optocht. Peter liep natuurlijk voorop. Daarachter kwamen de jagers met de wolf aan een touw. Opa en de kat sloten de rij. Opa bleef maar mopperen: "Stel je nou toch eens voor dat Peter de wolf niet had gevangen, wat zou er dan met ons gebeurd zijn?"
Boven de optocht vloog het vogeltje. Hij tsjilpte blij: "Peter en ik zijn echte helden, want wij hebben de wolf gevangen. Tsjilp, tsjilp!" En als je heel goed luisterde, kon je de eend horen kwaken in de buik van de wolf. Want die had zo'n haast gehad, dat hij de eend levend had opgeslokt!


 

  

* * * * * * * * * * * * * * * * * * * *     TOP   * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * *

                                           

Ivan de Tsarenzoon, de vuurvogel en de grijze wolf

Een klassiek Russisch sprookje

Ergens in een tsarenrijk in een ver land, woonde eens een machtige tsaar: Demian. Hij had drie zoons. De twee oudsten heetten Pjotr en Vasili en de jongste, Ivan, was een eenvoudige, vrolijke en lieve jongen.
Bij het paleis van tsaar Demian was een tuin. Daarin groeide een appelboom met gouden appels. Tsaar Demian paste heel goed op zijn appels; iedere ochtend telde hij ze en controleerde dat er niemand van de appeltjes had gegeten en of ze allemaal nog aan hun takken hingen. Op een keer liep de tsaar de tuin in om zijn appeltjes te bewonderen, maar wat zag hij? Er waren drie appels verdwenen! Een of andere dief had het in zijn hoofd gehaald om voortaan elke avond een paar gouden appels te stelen. Tsaar Demian was woest. Hij gaf zijn drie zoons de opdracht om beurten de appelboom te bewaken en de dief te vangen.
Pjotr ging als eerste op wacht staan. Hij maakte een bedje van zacht hooi, ging onder zijn warme jas liggen en viel in een diepe slaap. Hij zag niets, hij hoorde niets en de volgende ochtend waren er weer drie appels verdwenen.
De volgende nacht was het Vasili's beurt om bij de boom te waken. Hij maakte een bedje van zachte veertjes, ging onder zijn jas van sabelbont liggen en viel in een diepe slaap. Hij zag niets, hij hoorde niets en weer lukte het de dief om drie gouden appels van de boom te plukken.
De derde nacht hield Ivan de appelboom in de gaten. In de koude nacht, ging hij op een boomstronk zitten in een hoekje van de tuin. Hij deed zijn ogen geen seconde dicht, liet zijn hoofd geen moment zakken en bleef zo zitten. En uur, twee uur, drie uur en plotseling was het alsof de hele tuin in brand stond. Het kleinste grassprietje werd helder verlicht. Daar kwam de vuurvogel aangevlogen met zijn veren van goud, zijn snavel van vuur en zijn ogen van kristal. En het dier begon in de appeltjes te pikken.
Ivan greep de vuurvogel behendig bij zijn staart en de vuurvogel worstelde en worstelde, pikte met zijn snavel naar Ivan, rukte zich los en vloog weg. Ivan bleef achter met n klein veertje in zijn hand. En toen tsaar Demian de veer van de vuurvogel zag werd hij boos en hij schreeuwde: "Waarom heb je die vuurvogel niet gevangen? Waarom heb je onze dief zijn straf laten ontlopen? En voor straf moet je de hele wereld over om de gouden vogel te zoeken en naar mijn paleis te brengen, waar de vuurvogel zal zingen en mijn donkere nachten zal verlichten. En als je hem niet vindt, dan hak ik je hoofd eraf met mijn zwaard."
Ivan de Tsarenzoon begon te huilen, maar er zat niets anders op. Hij besteeg zijn paard en ging op weg. Hij reed en reed... want een sprookje is wel snel verteld, maar een taak niet zo gauw volbracht. En uiteindelijk kwam hij bij een kruispunt van drie wegen. Er lag een grote steen op de grond, waarop geschreven stond: "Wie rechtuit rijdt zal zelf sterven en ook zijn paard zal omkomen. Wie linksaf gaat zal zelf sterven, maar zijn paard zal blijven leven. Wie rechtsaf gaat, zal zelf blijven leven, maar zijn paard zal sterven."
Ivan dacht even na en sloeg toen de rechter weg in. Plotseling sprong er uit het niets een grijze wolf te voorschijn. Hij raakte Ivan niet aan, maar at wel zijn paard op en rende het bos in.
Ivan ging lopend verder het bos in en huilde. Hij kwam bij een groot moeras waar hij te voet niet doorheen kon komen, maar er was ook geen weg terug. Ivan begon te jammeren: "De grijze wolf heeft me toch nog de dood ingejaagd." Plotseling sprong de wolf te voorschijn. "Wees niet boos op mij, Ivan de Tsarenzoon. Ik heb je paard verslonden en daarom moet ik nu voor jou zorgen. Ga maar op mijn rug zitten en houd me stevig vast." Ivan ging op de rug van de grijze wolf zitten en het beest stoof er vandoor, sneller dan een paard. Hij vloog over moerassen, over bossen, over hoge bergen. En toen kwamen ze uit bij een stenen muur.
"Stap maar af, Ivan," zei de wolf. "Laat je maar van mijn grijze rug afglijden en klim over die muur. Je komt dan in een tuin met een dennenboom. In die boom hangt een gouden kooi, waarin de vuurvogel zit. Vang die vogel, maar... raak de kooi niet aan, want dan gebeurt er iets verschrikkelijks." Ivan klom over de muur en zag de vuurvogel in zijn gouden kooi. Hij haalde de vogel eruit, maar dacht toen: "Hoe kan ik nou de vogel mee naar huis nemen zonder kooi? Hij zal vast en zeker wegvliegen en dan ben ik mijn hoofd kwijt. Nee, ik kan de kooi beter meenemen." Maar zodra Ivan de kooi aanraakte, klonk er een verschrikkelijk kabaal in de tuin. De magische gusli's begonnen uit zichzelf te spelen, de klokken begonnen te luiden en de trompetten te schallen. En onmiddellijk kwamen de bewakers van de tsaar aangerend, grepen Ivan bij zijn sterke schouders en sleurden hem mee naar de tsaar. Tsaar Afron was witheet van woede: "Nu zal ik je moeten doden, Ivan de Tsarenzoon. Je zult nooit meer het daglicht zien, alleen als je naar het driemaal negende rijk en het driemaal tiende land gaat en het paard met de gouden manen van tsaar Koesman voor me meebrengt, dan vergeef ik je en schenk ik je mijn vuurvogel."
Ivan had geen andere keuze. Hij ging op de rug van de grijze wolf zitten en samen stoven ze weg. Na een poosje kwamen ze aan in het rijk van tsaar Koesman en de wolf bleef staan bij de stenen stadsmuur en zei tegen Ivan: "Ga naar de stal met de witte stenen muren en vang het paard met de gouden manen, maar pas op. Aan de muur hangt een gouden hoofdstel dat je niet mag aanraken, want dan gebeurt er iets verschrikkelijks."
Ivan ging de stal in en zag het paard staan en de vacht van het dier was zo wit als melk en zijn krullende manen waren van goud. Hij wilde het paard naar buiten leiden, maar het dier liet zich niet vangen. En toen zag Ivan het gouden hoofdstel aan de muur hangen en vergat wat de wolf tegen hem had gezegd. Hij pakte het hoofdstel van de haak en meteen klonk er een verschrikkelijk lawaai. Kanonnen begonnen te schieten, trompetten te schallen en de trommels te roffelen. En daar kwamen de bewakers van de tsaar aangerend, grepen Ivan bij zijn sterke schouders en brachten hem naar tsaar Koesman.
Tsaar Koesman liep op en neer door de paleiszaal en zwaaide met zijn scherpe zwaard: "Ivan de Tsarenzoon! Jij zult het daglicht nooit meer zien! Alleen als je naar het driemaal negende rijk en naar het driemaal tiende land gaat en prinses Elena de Schone voor mij meebrengt, dan vergeef ik je en schenk ik je mijn paard met de gouden manen."
Er zat niets anders op. Ivan ging op de rug van de grijze wolf zitten en samen vlogen ze over de donkere bossen en de hoge bergen. En na een tijdje stopte de wolf bij een gouden hek. "Goed, Ivan de Tsarenzoon, laat je maar van mijn grijze rug afglijden. Ga het open veld op en wacht op me onder die groene eik daar."
Ivan deed wat de wolf hem had opgedragen. De grijze wolf ging bij het hek zitten en wachtte. Daar kwam Elena de Schone naar buiten om een eindje te gaan wandelen met haar moeder, kamermeisjes, bedienden en hofdames.
Plotseling sprong de grijze wolf te voorschijn, greep Elena de Schone, gooide haar op zijn rug en verdween. Hij rende het open veld op naar de groene eik waar Ivan stond te wachten. "Snel, Ivan, spring op mijn grijze rug. Ze zitten ons al op de hielen." En Ivan de Tsarenzoon sprong op de rug van de grijze wolf en met zijn drien gingen ze er pijlsnel vandoor. En ze waren al in de buurt van het rijk van de tsaar Koesman, toen de grijze wolf even stil hield. Ivan en Elena verzonken in gepeins. Ivan wilde Elena helemaal niet afstaan aan tsaar Koesman. Hij hield meer van haar dan van zijn eigen leven, maar ja... als je iets beloofd hebt, dan moet je je ook aan je woord houden.
Plotseling kwam er een meesje aangevlogen: "Tsaar Koesman heeft besloten om met Elena de Schone te trouwen en hij wil Ivan de Tsarenzoon vermoorden."
"Ah ha," zei de wolf, "Elena de Schone, verstop je daar in die groene struiken en dan gaan Ivan en ik naar tsaar Koesman."
De wolf ging op de grond liggen en veranderde in Elena. Ivan pakte haar bij de hand en samen gingen ze naar de tsaar. "Heel goed gedaan," zei tsaar Koesman. "Als jij me die schone dame geeft, dan mag je het paard met de gouden manen meenemen." Maar ondertussen gaf hij de bewakers een teken dat ze Ivan moesten arresteren.
Ivan sprong op het paard met de gouden manen en galoppeerde weg naar zijn Elena toe. En de wolf ging op de grond liggen en veranderde terug in de grijze wolf. En hij joeg tsaar Koesman de stuipen op het lijf, beet de bewakers en rende het bos in, waar hij Ivan en Elena inhaalde.
"Spring maar op mijn rug, Ivan, en ga jij maar op het paard met de gouden manen zitten, Elena. We gaan naar het rijk van tsaar Afron en dan ruilen we het paard tegen de vuurvogel."


Ze reden een hele tijd en kwamen tenslotte aan in het rijk van tsaar Afron. De grijze wolf hield stil en Ivan en Elena verzonken in gepeins. Toen kwam er een meesje aangevlogen: "Pas op, Ivan de Tsarenzoon, tsaar Afron wil het paard afpakken en jou vermoorden." Ivan werd somber en Elena verdrietig, maar de grijze wolf zei: "Elena, verstop je in het donkere bos, dan gaan Ivan en ik naar de tsaar."
De grijze wolf ging op de grond liggen en veranderde in het paard met de gouden manen. Ivan pakte het dier bij de teugels en leidde het naar tsaar Afron. En daar stonden de beulen met hun scherpe zwaarden al op ze te wachten. "Heel goed gedaan," zei tsaar Afron, "heel goed gedaan, Ivan. Geef mij het paard dan mag jij de vuurvogel meenemen." En hij strekte zijn ene hand uit om Ivan de kooi te geven, maar met zijn andere hand, gaf hij de beulen het teken Ivan te arresteren.
Ivan greep de kooi en de beulen trokken hun scherpe zwaarden. En toen ging het paard op de grond liggen, veranderde weer terug in de grijze wolf en wierp zich op de bewakers van de tsaar. En die zetten het op een lopen. Ivan sprong op de rug van de grijze wolf en samen gingen ze er vandoor. En zo reden ze gezond en wel terug naar huis. Ivan de tsarenzoon op de grijze wolf en Elena de Schone op het paard met de gouden manen. De vuurvogel hadden ze vastgebonden aan het zadel. En de wolf bracht Ivan naar de kruising waar de steen lag.
"Goed, Ivan," zei de wolf, "morgen zijn we thuis. Zet je tent op en laat Elena de Schone uitrusten, even slapen en dan ga ik ondertussen op jacht."
Ivan zette zijn witte tent op en viel in slaap. Elena begon ook te dommelen. Het paard met de gouden manen liep voor de tent heen en weer en de vuurvogel zong zacht een lied. Toen kwamen Ivans broers, Pjotr en Vasili, langs de witte tent gereden. Ze zagen het paard met de gouden manen, hoorden de vuurvogel en vergaapten zich aan Elena de Schone. Ze waren jaloers op hun jongste broer. "Als we hem vermoorden, dan kunnen we alles zelf houden." Pjotr trok zijn zwaard en doodde de slapende Ivan. Hij en Vasili grepen Elena, vingen de vuurvogel en het paard met de gouden manen en gingen naar huis. Niemand had iets gezien en niemand had iets gehoord.
Ivan de Tsarenzoon lag dood voor zijn witte tent en toen de grijze wolf terugkwam, begon hij te huilen en hij ging naast Ivan op de grond liggen. En er vloog een zwarte raaf met kleintjes voorbij. En de raaf zag Ivan, begon in de lucht boven hem te cirkelen en wilde zijn ogen uitpikken. En toen sprong de grijze wolf op, greep een klein raafje en begon het kleintje wild in zijn bek heen en weer te schudden. "Kra kra, laat mijn kindje los, grijze wolf," smeekte de zwarte raaf. "Ik doe alles wat je wilt."
"Goed dan, raaf," zei de wolf, "als jij iets voor me wilt doen, dan doe ik jouw kleintje niets. Vlieg voorbij de zee, voorbij de hoge bergen en breng me dood en levend water." En de raaf die vloog voorbij de zee, voorbij de hoge bergen. Drie dagen was hij onderweg en al die drie dagen, hield de grijze wolf het kleine raafje tussen zijn poten. Op de vierde dag, kwam de raaf terug gevlogen. Hij had het dode en levende water bij zich. De wolf sprenkelde dood water over Ivan de Tsarenzoon en diens wonden genazen. Hij besprenkelde hem vervolgens met levend water en toen stond Ivan op. Hij rekte zich eens goed uit en zei: "Wat heb ik lang geslapen!"
"Nou, Ivan, je had nog wel honderd jaar geslapen, als ik er niet was geweest," zei de wolf. "Ze hebben Elena de Schone, het paard met de gouden manen en de prachtige vuurvogel meegenomen." Ivan begon te jammeren, maar er was niets aan te doen. "Spring maar op mijn rug," zei de wolf, "dan bewijs ik je nog een laatste dienst. Vanavond breng ik je als een speer terug naar huis."
Ivan ging op de rug van de grijze wolf zitten en samen gingen ze razendsnel op weg. Tegen de ochtend kwamen ze aan bij het paleis. "Goed, Ivan," zei de grijze wolf, "ik heb mijn plicht vervuld. Dit is de laatste dienst die ik je bewezen heb. Vaarwel. Nu moet je je geluk op eigen kracht zien te vinden." En de grijze wolf rende weg en Ivan liep naar het paleis.

Daar luidden de klokken en schalden de trompetten. Pjotr stond op het punt om met Elena de Schone te trouwen, maar het was geen vrolijke bruiloft. Elena de Schone vergoot tranen als parels, de vuurvogel zat ik zijn kooi en al zijn gouden veren vielen uit en in de stal kon het paard met de gouden manen, amper op zijn wankele benen blijven staan.
Ivan ging het paleis in. Elena de Schone sprong overeind en riep: "Die man die hier naast me zit, is mijn verloofde niet! Die man daar bij de deur, dat is mijn verloofde!" En ze vertelde de tsaar het hele verhaal. En daarop werd de tsaar verschrikkelijk boos op zijn twee oudste zoons en hij verjoeg ze uit zijn rijk. En Ivan die mocht trouwen met Elena. En de klokken luidden en de trompetten schalden. Elena de Schone straalde als de zon! En de vuurvogel zong zijn lied en het paard met de gouden manen trappelden met zijn hoeven. Het was een vrolijke bruiloft.

 

 

* * * * * * * * * * * * * * * * * * * *     TOP   * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * *

 

Het witte eendje

Een Russisch sprookje over een koningin die betoverd wordt

Heel lang geleden leefde er eens een jonge koning met zijn jonge koningin. Ze waren nog maar enkele dagen getrouwd, toen de koning bericht kreeg, dat hij op reis moest.
De koningin huilde van verdriet. De koning was ook bedroefd.
"O, wat zal ik je missen," zei hij. "Beloof me, dat je goed op jezelf zult passen. Ga niet alleen uit. Blijf zoveel mogelijk in je eigen kamer en bemoei je niet met mensen, die je niet kent." Dat beloofde de koningin.
Toen de koning vertrokken was, ging ze naar haar kamer en kwam daar niet meer uit. Na zo'n dag of drie tikte er een vrouwtje op het raam. De koningin opende het raam en keek het vrouwtje met roodbehuilde ogen aan.
"Ach," sprak het vrouwtje vol medelijden, "wat erg voor u, dat de koning nu al op reis is. U bent pas enkele dagen getrouwd. U moet niet meer huilen. Het is veel beter om in uw tuin een wandeling te maken. Kijk toch eens hoe mooi alles bloeit. De koning zou het u ook aanraden, dat weet ik zeker."
De koningin keek naar de bloemen en de zonnige tuinpaden. "Het kan inderdaad geen kwaad een kleine wandeling in de tuin te maken," dacht ze. "Steeds maar huilen maakt me ziek."
"Als u met me meeloopt, lief vrouwtje," zei ze, "dan maken we een wandelingetje." Dat deed het vrouwtje maar al te graag. Samen gingen ze de tuin in en bewonderden de roze en rode rozen. Bij de fontein bleef het vrouwtje staan. Ze zuchtte even en zei: "Het is warmer dan ik dacht, majesteit. Het water van de fontein ziet er zo helder en fris uit. Zullen we ons er even in baden? De koning zou het u vast en zeker ook aanraden."
"Ach ja," dacht de koningin, "zo'n fris bad kan geen kwaad." Ze trok meteen haar kleren uit en stapte in het water. Nauwelijks zat ze erin of ze voelde de hand van het vrouwtje op haar schouder. Het vrouwtje zei: "Word nu een wit eendje en zwem weg."
Opeens was de mooie jonge koningin veranderd in een wit eendje, en het zwom weg. Het vrouwtje grinnikte. Ze trok de kleren van de koningin aan, betoverde haar gezicht, zodat ze op de koningin leek, en liep naar het paleis. In de kamer van de koningin wachtte ze op de terugkomst van de koning.
Enige weken later begonnen de klokken te luiden, als teken dat de koning van zijn reis terugkeerde. De valse koningin liep hem met uitgestrekte armen tegemoet. De koning drukte haar tegen zich aan, blij, dat hij weer thuis was.
Hoe ging het nu verder met het witte eendje? Dat had eieren gelegd en daaruit kropen drie mooie eendjes. Al heel vlug konden ze voor zichzelf zorgen en liepen ze al door het gras. Iedere dag gingen ze een eindje verder.
Op een keer kwamen ze in de tuin van het paleis. De valse koningin zag hen en begreep meteen van wie die mooie eendjes waren. Ze deed heel lief tegen ze en vroeg, of ze het paleis eens wilden zien. Dat wilden de eendjes wel. Ze kregen een heerlijk maal, waarin de valse koningin een slaapmiddel had gedaan. De eendjes konden hun oogjes bijna niet meer open houden. "Kom maar mee," zei de koningin. "Ik leg jullie in een heerlijk zacht bed te slapen. Morgenvroeg maak ik jullie op tijd weer wakker." Maar de valse vrouw dacht: "Als ze slapen, maak ik ze dood."
Midden in de nacht sloop de koningin naar de slaapkamer van de eendjes. Ze klopte op de deur en riep: "Slapen jullie al, of zijn jullie nog wakker?"
En van de eendjes riep: "Hoe kunnen wij nu slapen als iemand ons dood wil maken!"
"Ze slapen nog niet," dacht de koningin. Ze ging naar de keuken, maakte daar het vuur aan en hing de ketel erboven. Toen ging ze weer naar de kamer waarin de eendjes sliepen. Ze klopte en riep: "Slapen jullie, of zijn jullie nog wakker?En van de andere eendjes riep nu: "Hoe kunnen we nu slapen als iemand ons dood wil maken!"
"Ze slapen nog niet," dacht de koningin nijdig. Weer ging ze naar de keuken, pookte het vuur op en hing de ketel goed. Voor de derde keer ging ze naar de slaapkamerdeur. Ze klopte en riep: "Slapen jullie of zijn jullie wakker?"
Het derde eendje riep: "Hoe kunnen we nu slapen als iemand ons dood wil maken!"
De koningin opende zachtjes de deur en zag, dat de eendjes sliepen. Ze begreep, dat ze om de beurt in hun slaap gesproken hadden. Meteen liep ze naar het bed en maakte ze alle drie dood.
Toen het witte eendje de volgende morgen haar kindertjes riep, kwam er niemand te voorschijn. Ze dacht: "O, als er maar niets gebeurd is." Ze vloog naar de tuin van het paleis en daar zag ze haar kindertjes liggen, heel bleek en stil. Verdrietig spreidde ze haar vleugels over haar dode kindjes uit en sprak: "Lieve kindertjes, de koningin die nu in dit paleis woont, is een heks. Ik ben de echte koningin. Ze heeft mij omgetoverd in een wit eendje.
Ze heeft jullie gedood."Toevallig stond de jonge koning aan het open venster. "Hoor je dat?" zei hij tegen de koningin, die nog in bed lag. "In de tuin zit een wit eendje, dat kan praten."


"Jaag dat beest weg!" riep de koningin nijdig. "Ik houd niet van witte eenden." Het witte eendje werd weggejaagd, maar even daarna zat het er weer. Verdrietig spreidde ze haar vleugels weer uit over haar dode kindertjes en sprak: "Lieve kindertjes,
de koningin die nu in dit paleis woont,
is een heks.
Ik ben de echte koningin.
Ze heeft mij omgetoverd in een wit eendje.
Ze heeft jullie gedood."De koning werd nieuwsgierig en haastte zich naar de tuin. Hij knielde bij het witte eendje neer en streelde haar vleugels. Plotseling veranderde het eendje in een spinnewiel. Woedend brak de koning het spinnewiel kapot en wierp n stuk vr zich neer, en een ander stuk achter zich. Achter hem groeide toen opeens een berkenboom en vr hem stond zijn koningin. Ze was heel mooi, maar ze huilde. Ze vertelde snikkend wat er allemaal gebeurd was.
De valse koningin was ondertussen weer het vrouwtje geworden, maar nu had ze echt een gezicht, zoals een heks dat meestal heeft.
De koning gaf haar bevel om met haar toverkunst de kindertjes weer levend te maken. Knarsetandend voldeed ze aan dat bevel. Ze liet een ekster voor zich vangen en die moest voor haar levenswater gaan halen. Dit water goot ze over de dode eendjes uit. Die veranderden in echte kinderen. Ze keken naar hun mooie moeder en vader. Van de heks waren ze bang, maar die maakte zich vlug uit de voeten.
Nu was het gezin weer bij elkaar: de koning, de koningin en de kinderen. Ze waren zo blij, dat ze alles vergaten wat er gebeurd was. En ze leefden nog lang en gelukkig.

"Sprookjes uit Rusland" naverteld door Elisabeth Borchers. Bewerkt door Nelly Kunst. Omega Boek, Amsterdam, 1980. ISBN: 90-6057-107-X

* * * * * * * * * * * * * * * * * * * *     TOP   * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * *

 

Baba Jaga

Een Russisch volkssprookje over een heks

Er leefde eens een oude man met zijn vrouw; hij werd weduwnaar en trouwde opnieuw, maar van de eerste vrouw had hij een meisje overgehouden. De boze stiefmoeder hield niet van haar, sloeg haar en overlegde bij zichzelf hoe ze haar helemaal kon laten verdwijnen. Eens ging de vader op reis. Toen zei de stiefmoeder tegen het meisje: "Ga naar je tante, mijn kind, en vraag haar een naald en een draad om voor jezelf een hemdje te naaien." Maar die tante was de Baba Jaga Knokig Bot.
Het meisje was echter niet dom en ging eerst naar haar eigen tante. "Dag, tante." - "Dag, kindje. Waarom ben je gekomen?" - "Moeder stuurt me naar haar zuster, om daar een naald en een draad te vragen - ik moet er een hemdje mee naaien." Toen gaf de tante haar deze raad: "Daar zal een berkenboompje in je ogen slaan, nichtje - bind er een lintje om. Een poort zal daar knarsen en dichtslaan - giet wat olie op de scharnieren. Daar zullen honden je aanvallen - gooi hun brood toe. Daar zal een kater je ogen willen uitkrabben - geef hem wat ham."
Het meisje ging op weg; ze liep en liep en kwam bij een hutje; en daarin zat de Baba Jaga Knokig Bot te weven. "Goedendag, tantetje." - "Goedendag, nichtje." "Moeder stuurt me om u een naald en een draad te vragen - ik moet een hemdje naaien." - "Goed. Ga intussen zitten weven." Het meisje zette zich aan het weefgetouw, maar de Baba Jaga ging naar buiten en zei tegen haar dienstmeid: "Ga het badhuis stoken, en was mijn nicht zoals het hoort. Morgen wil ik mijn ontbijt met haar doen." Het meisje zat er meer dood dan levend bij, en smeekte de meid: "Goede vrouw, steek minder hout in brand, giet er water overheen en breng het water in een zeef." En ze gaf haar een doekje ten geschenke.
Intussen stond de Baba Jaga te wachten; ze ging naar het raam en vroeg: "Weef je, nichtje, weef je, liefje?" - "Ik weef, tantetje, ik weef, lieve." De Baba Jaga ging weer weg van het raam. Maar het meisje gaf ham aan de kater en vroeg hem: "Is het mogelijk hier weg te komen?" - "Daar heb je een kam en een handdoek," zei de kater. "Neem ze en loop hard. De Baba Jaga zal je achterna komen, maar dan moet je je oor op de grond leggen en luisteren of ze dichtbij is. Werp in dat geval eerst de handdoek op de grond - die wordt een brede, brede rivier. En als de Baba Jaga de rivier oversteekt en je blijft achtervolgen, moet je weer je oor op de grond leggen. Wanneer je dan hoort dat ze al dichtbij is, gooi je de kam weg - hij wordt een dicht, dicht bos; daar komt ze niet doorheen."
Het meisje nam de handdoek en de kam en liep weg. De honden wilden haar bijten, maar zij wierp hun brood toe, en ze lieten haar gaan. De poort wilde dichtslaan, maar ze goot olie op de scharnieren, en ze liet haar gaan. De berkenboom wilde haar de ogen uitsteken, maar zij bond er een lintje om, en de berk liet haar gaan. Intussen zat de kater aan de weefstoel, en haalde de draden meer door elkaar dan dat hij weefde. De Baba Jaga kwam bij het raam en vroeg: "Weef je, nichtje, weef je, liefje?" - "Ik weef, tante, ik weef, lieve," antwoordde de kater met een grove stem.
De Baba Jaga snelde de hut in en zag dat het meisje weg was. Ze sloeg de kater en schold hem uit omdat hij het meisje niet haar ogen had uitgekrabd. "Hoe lang dien ik je nu al," zei de kater, "en je hebt me zelfs geen beentje gegeven, maar van haar heb ik ham gekregen." De Baba Jaga raasde tegen de honden, tegen de poort, tegen de berk en tegen haar dienstmeid, ze schold ze uit en sloeg ze. Maar de honden zeiden: "Hoe lang dienen we je nu al niet, en je hebt ons zelfs geen aangebrand korstje toegeworpen, maar zij heeft ons brood gegeven." De poort zei: "Hoe lang dien ik je nu al niet, en je hebt zelfs geen water op mijn scharnieren gegoten, maar zij heeft er olie op gedaan." De berk zei: "Hoe lang dien ik je nu al, en je hebt nooit ook maar een draadje om me heen gedaan, maar zij heeft een lintje om me gebonden." En de meid zei: "Hoe lang dien ik je nu al niet, en je hebt me zelfs geen vodje gegeven; maar zij heeft me een doekje cadeau gedaan."
Baba Jaga Knokig Bot ging vlug in een vijzel zitten, dreef die aan met de stamper, veegde haar sporen uit met de bezem en snelde achter het meisje aan. Maar dit legde haar oor op de grond en hoorde dat de Baba Jaga haar achtervolgde en al dichtbij was. Toen nam ze de handdoek, wierp die op de grond, en er ontstond een brede, brede rivier. De Baba Jaga reed tot aan de rivier en knarsetandde van woede. Ze keerde naar huis terug, nam haar ossen mee en dreef ze naar de rivier. De ossen dronken de hele rivier leeg, en de Baba Jaga hervatte de achtervolging. Het meisje legde haar oor op de grond en hoorde dat de Baba Jaga dichtbij was. Toen wierp ze de kam op de grond en deze werd een schrikwekkend dicht bos. De Baba Jaga begon er aan te knagen, maar hoe hard ze ook knaagde, ze kon er niet doorkomen.
Intussen was de oude man thuisgekomen. Hij vroeg: "Waar is mijn dochter?" - "Ze is naar haar tante gegaan," zei de stiefmoeder. Een beetje later kwam ook het meisje er hard aanlopen. "Waar ben je geweest?" vroeg haar vader. "Ach, vadertje," zei ze, "zo en zo - moedertje heeft me naar tante gezonden om een naald en een draad te vragen - ik moest een hemdje naaien. Maar die tante is de Baba Jaga, en ze wilde me opeten." - "Hoe ben je weggekomen, dochtertje?" - "Dat is zo gegaan..." vertelde het meisje. En toen de oude man alles had vernomen, werd hij zo boos op zijn vrouw dat hij haar doodschoot.

"Russische volkssprookjes" verzameld door A.N. Afanasjew. Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1980. ISBN: 90-274-0919-6

* * * * * * * * * * * * * * * * * * * *     TOP   * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * *

 

Het wonderpaard en de prinses (Sifka-Boerka)

Een oud Russisch mystiek sprookjesverhaal

Een oude man, die drie zoons had, lag op zijn sterfbed. Daar gaf hij hun de volgende opdracht: "Na mijn dood moeten jullie drie nachten aaneen bij mijn graf komen en mij brood brengen."
De eerste twee nachten, toen het de beurt was van de oudste en de middelste zoon om naar het graf te gaan, droegen zij dit op aan de jongste Iwan-de-dwaas, 'half uit luiheid en half uit vrees', zoals het verhaal zegt. De oudste twee zoons waren slim en trots en werkten in het bedrijf van de vader, maar de jongste ging graag naar het bos en zat voorts op de kachel.
Zo gebeurde het dus, dat de jongste zoon de drie achtereenvolgende nachten na de begrafenis naar het graf van de vader ging en hem brood bracht. Omstreeks middernacht verscheen de vader aan Iwan, nam en at het brood en informeerde naar de toestanden in Rusland. Stereotiep gaf Iwan het antwoord: "Ik ben het, uw zoon. In Rusland is alles rustig."
De laatste nacht antwoordde de vader, nadat hij het brood gegeten had: "Jij alleen hebt mijn opdracht vervuld, want je bent drie nachten naar mijn graf gekomen. Ga nu het land in en roep: 'Sifka-Boerka, hopsa! Wijs paard, sta bij mij stil.' Dan komt er een paard aandraven. Kruip nu door zijn rechteroor erin en door zijn linkeroor eruit. Dan ben je een geweldige held geworden. Stijg dan te paard en rij weg."
In die tijd riep de Tsaar alle dappere, ongetrouwde helden naar zijn paleis om hun geluk te beproeven. Zijn dochter, de schoonste vrouw van het land, liet een toren bouwen van twaalf zuilen en twaalf verdiepingen. Boven in die toren nam zij plaats. De helden moesten haar met n sprong bereiken en haar kussen. Wie dit mocht gelukken - onverschillig zijn afkomst - zou de prinses tot vrouw krijgen en bovendien de helft van het Tsarenrijk.
Ook de oudste en middelste broers reden uit om hun kans te wagen. Toen zij weg waren, liep Iwan het veld in en sprak de toverformule uit, die zijn vader hem gegeven had. Plotseling verscheen er met angstige snelheid een vurig paard, dat bij Iwan stilhield en om bevelen vroeg. Zoals hem gezegd was, kroop de zoon door het rechteroor naar binnen en door het linkeroor eruit, veranderde in een edele held en reed naar het hof van de Tsaar.
De vorst verscheen te midden van de onafzienbare menigte en maakte de regels van de wedkamp bekend. Zodra de prinses boven in haar toren had plaats genomen, begonnen de helden op hun paarden te springen. Maar geen slaagde erin tot aan de bovenste verdieping te komen. De oudste en middelste broer bereikten zelfs niet de halve hoogte.
Maar daar kwam Iwan aan. De grond dreunde onder het geweld van de hoeven, vurige adem hijgde uit de bek van zijn paard. De eerste keer bereikte hij de tiende verdieping. Hij keerde zijn paard en stormde opnieuw en bereikte de elfde verdieping. Zonder aarzelen of zonder vermoeidheid te voelen, ondernam hij de derde poging, schoot als een vlam langs de twaalfde verdieping en kuste de schone prinses op de lippen. Bliksemsnel drukte zij haar zegel op Iwans voorhoofd af.
Terwijl de menigte juichend naar voren drong om de held te eren, was deze plotseling verdwenen.
Toen de broers thuis kwamen, lag Iwan reeds op de kachel met een lapje op zijn voorhoofd. Zij vertelden hem, hoe een held erin geslaagd was om met n sprong van zijn paard de twaalfde verdieping te bereiken en de prinses, de onvergelijkelijk schone, te kussen.
Iwan antwoordde: "Ben ik dat misschien geweest?" en toen zij hem uitjouwden, nam hij de lap van zijn voorhoofd, waar de prinses haar zegel gezet had. En eensklaps straalde de kamer van licht. De broers werden bang en zeiden: "Wil je de hut in brand steken?"
Intussen verkeerde de Tsaar in grote verlegenheid, daar de held spoorloos verdwenen was. Om te proberen hem te vinden, liet de vorst bekend maken, dat er de volgende dag een groot feest gegeven zou worden, waarop iedereen welkom zou zijn. Opnieuw stroomde er een talrijke menigte naar het paleis, bestaande uit vorsten en burgers, rijken en armen. Ook de drie broers bewogen zich tussen de mensenmassa.
De prinses hielp bedienen en ging rond met honingdrank, ondertussen scherp uitkijkend naar het voorhoofd met de zegelafdruk. Toen zij langs Iwan liep, vroeg zij hem, wie hij was en waarom hij een lap op zijn voorhoofd droeg. Zijn enige antwoord was, dat hij zich gestoten had. Doch de prinses trok de lap weg en ontwaarde de indruk van haar zegel.
Zij leidde Iwan naar de Tsaar, die schamper opmerkte: "Een mooie bruidegom, zo helemaal onder het roet."
Want Iwan was z uit het huis weggelopen naar het feest. Hij vroeg echter verlof, zich te mogen wassen, ging naar buiten, floot zijn paard en veranderde opnieuw in de stralende held, die genade vond in de ogen van de Tsaar. Toen stond niets meer de bruiloft van Iwan en de onvergelijkelijk schone prinses in de weg.

Bron: "Oosterse verhalen en hun geheime betekenis" door W. van Beek. East-West Publications Fonds, 1968.

 

 

 

 

 

* * * * * * * * * * * * * * * * * * * *     TOP   * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * *

Grote Raaf verkoopt zijn dochter voor een liedje

Toen Grote Raaf nog leefde zei hij op een keer tegen zijn vrouw Miti, dat hij naar het strand ging. Bij de kust aangekomen hoorde hij iemand zingen. Hij keek om zich heen en merkte al gauw een zeehond op die niet ver weg op het strand lag te zingen.
'Wat is dat een prachtig lied,"' zei hij tegen de zeehond. 'Verkoop het aan mij: ik geef je er mijn halve rendierkudde voor.'
'Ik heb je rendieren niet nodig,'antwoordde de zeehond.
'Goed,'zei Grote Raaf,'dan bied ik je mijn dochter Jinanoewt aan als je mij je liedje geeft.'
De zeehond nam dit aanbod aan en spuugde het lied in de mond van Grote Raaf uit. Hij volgde hem naar huis, waar Grote Raaf tegen Miti zei: 'Ik heb onze dochter aan hem hier beloofd in ruil voor een liedje.'
'Ik vind het best,'zei ze.
En zo gaven ze hun oudste dochter aan Zeehond die haar mee naar huis nam. Hij ontnam haar haar jas van rendiervel en liet haar een robbenvel aantrekken. Na een poosje begon hij al een hekel aan haar te krijgen en het duurde niet lang voordat hij haar met een mes toetakelde als hij boos op haar was of ruzie met haar zocht.
Grote Raaf daarentegen liep dag en nacht het lied van Zeehond te zingen en voelde zich zeer tevreden. Toch dacht hij soms aan zijn dochter en op een dag besloot hij haar een bezoek te brengen.
Toen hij Grote Raaf zag aankomen bond Zeehond de tong van het meisje met een pees vast, opdat zij haar vader niet zou kunnen vertellen hoezeer ze mishandeld werd. Door haar lichaam tegen dat van het ongelukkige meisje te wrijven nam de zuster van Zeehond de gestalte van Jinanoewt aan, zoals die er had uitgezien toen ze afscheid van haar vader had genomen. Zeehond gebood zijn zuster naast hem te gaan zitten, op de plaats van zijn vrouw. Het was nu erg moeilijk geworden om de echte dochter van Grote Raaf te herkennen, temeer daar ze in een zeehondenvel was gehuld en overal wonden en littekens vertoonde.
Bij zijn aankomst in de nederzetting werd Grote Raaf al meteen door de zeehonden voor het ongelukkige meisje gewaarschuwd.
'Pas op voor deze zeehond. Blijf uit haar buurt: ze bijt!'
Het meisje wilde naar haar vader gaan om hem te laten zien dat haar tong aan de wortel was vastgebonden, maar hij ontweek haar steeds weer. Bovendien sloegen de bewoners met messen naar haar handen en voeten. Toen ze zich opmaakten om naar bed te gaan, kreeg Grote Raaf opnieuw een waarschuwing te horen:
'Als die zeehond daar vannacht naar je toe zou kruipen, roep ons dan meteen: ze zou je met bloedige beten kunnen overdekken.'
Diezelfde nacht kroop het meisje naar haar vader toe. Ze pakte zijn hand en duwde die in haar mond, in de hoop dat hij haar tong zou losmaken. Hij begon echter te schreeuwen:
'Kijk nou eens. Ze wil mijn hand er af bijten!'
De zeehonden werden wakker en ranselden haar met stokken af.

De volgende morgen keerde Grote Raaf naar huis terug zonder iets in de gaten te hebben gekregen van wat zich daar werkelijk had afgespeeld. Hij zei tegen zijn huisgenoten:
'In dat zeehondendorp woont een of andere vrouw die aan handen en voeten snijwonden heeft. Ze zeggen dat ze bijt. In ieder geval beet ze bijna mijn hand er af.'
Ememkoet vermoedde dat het over zijn zuster ging en merkte op:
'Ik ga morgen naar dat zeehondendorp om uit te zoeken wie ze is.'
De volgende dag stond Ememkoet vroeg op, spande de rendieren voor zijn slee en reed weg. Bij zijn aankomst in het dorp werd hij onmiddellijk door de zeehonden gewaarschuwd:
'Kijk uit voor die vrouw daar! Ze eet mensen op, maar we geven haar flink slaag om te voorkomen dat ze zich op de mensen werpt.'
's Avonds herhaalde zich wat al eerder met Grote Raaf was gebeurd. Het meisje kroop naar haar broer, pakte zijn hand en stopte die in haar mond. Hij tastte in haar mond rond en voelde dat haar tong met een pees was vastgebonden. Hij maakte haar tong zo gauw mogelijk los, waarna ze hem fluisterend vertelde wat er gebeurd was:
'Ik ben je zusje Jinanoewt. Zodra ik hier was kregen de zeehonden een hekel aan mij. Ze namen mij m'n kleren af en dwongen me een ruwe zeehondenhuid aan te trekken. Ze slaan me voortdurend en hakken met hun messen in mijn handen. Ze hebben mijn tong vastgebonden om te verhinderen dat ik vader en jou zou vertellen hoe ik mishandeld ben.'
Ememkoet zei tegen zijn zusje:
'Luister, als ik morgen klaar sta om te vertrekken, werp jezelf dan op mijn slee en ik zal je naar huis rijden.'
Zodra hij de volgende ochtend opstond, begon hij voorbereidingen voor de reis te treffen. Zijn zuster probeerde in zijn buurt te blijven, terwijl de zeehonden haar steeds trachtten weg te jagen. Ememkoet greep toen in door te zeggen:
'Laat haar toch met rust. Ze valt me helemaal niet lastig.' Op het moment dat Ememkoet zijn zweep over de rendieren legde, wierp zijn zuster zich achter op de slee. En zo reed hij veilig met haar naar huis.
'Jij wordt ook een dagje ouder,'zei hij tegen zijn vader. 'Je hebt je dochter voor een liedje weggegeven en toen je haar opzocht, had je niet door dat ze misbruikt werd.'
Grote Raaf ontstak in woede over de zeehonden en voor straf verstopte hij al het zeewater. De zeebodem droogde uit en de zeehonden stierven wegens gebrek aan water. Zodra de dieren die zijn dochter mishandeld hadden gestorven waren, liet Grote Raaf die niet voor niets Maker heette het water weer de vrije loop. Hij wekte de andere zeedieren tot leven en zijn dochter bleef na dit boze avontuur weer bij hem wonen.

Rendierkorjakken, april 1901

Bron: 'Siberiese vertellingen', bijeengebracht en verteld door H.C. ten Berge, uitg. De Bezige Bij

 

* * * * * * * * * * * * * * * * * * * *     TOP   * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * *

Cedar Gallery is een non-profit site. De gedichten, verhalen en overige teksten worden enkel gepubliceerd voor educatieve doeleinden, om mensen te informeren of te vermaken en met goede bedoelingen.
Het copyright op de afzonderlijke gedichten berust uiteraard bij de desbetreffende dichter en/of hun rechtsopvolgers. Hetzelfde geldt voor vertaalde gedichten/vertalers en andere teksten/schrijvers. Veel van ons materiaal krijgen we via de mail aangeleverd. We kunnen de rechthebbenden dan ook niet altijd achterhalen.
Als iets niet conform de regels voor copyright gebeurt, stuur ons dan een bericht, zodat we de tekst waarop dit betrekking heeft, zo spoedig mogelijk kunnen verwijderen. We garanderen dit binnen 100 uur te doen (afwezigheid vanwege vakantie of ziekte buiten beschouwing gelaten).

Cedar Gallery behoudt zich het recht voor na te gaan of de persoon die bezwaar aantekent daartoe gerechtigd is.

 

 

 

top | vorige